Papa, je lijkt steeds meer op mij.

Soms moet je eerst keihard tegen de lamp lopen voordat je je bewust wordt van bepaalde onhandige gewoonten. Ik kreeg pas in de gaten dat ik de onhandige gewoonte had om een relatie met mannen te willen die niet echt van me hielden, toen ik emotioneel gezien finaal onderuit ging. Natuurlijk wist ik al lang dat ik vaak verdriet had in mijn relaties, maar ik dacht dat dat aan die mannen lag of aan pure pech. Ik zag de herhaling van zetten niet als een patroon, MIJN patroon. Tot ik voor de zoveelste keer weer een hoopje ellende was en ik eindelijk het punt had bereikt waarop ik dacht: dit nooit meer.

Dat punt bereikte ik precies zes maanden geleden, op nog wat kortstondige momenten van geheugenverlies na. Best gek, want ik wist al sinds mid 2015 dat het een patroon was (ik ging toen in behandeling voor relatie- en liefdesverslaving). Ik heb in feite drie jaar nodig gehad om het gevecht met mijn onhandige gewoonte te winnen. Het kwartje viel drie jaar geleden, maar pas zes maanden geleden viel het pas echt op de grond, zeg maar.

De grote vraag was: WAAROM zat ik in dit patroon, WAAROM wilde ik een relatie met iemand die niet echt van me hield?

Dat ik dat wilde leek op het eerste gezicht heel onlogisch. Ja, welk mens wil dat in godsnaam?? Ik had er geen goede verklaring voor, buiten dat het spannend was. Het was een gek patroon, dat ooit ergens begonnen moest zijn. Wie was de eerste bij wie dat zo was geweest? Mijn eerste echte vriendje, die ik op mijn veertiende ontmoette en waarmee ik de volgende zeven jaren in een hevige knipperlichtrelatie doorbracht? Iemand waar ik dolverliefd op was en hij op mij, maar die vreemdging en daarover loog bij het leven. Veertien jaar is jong en zeven jaar is lang. Dat kan behoorlijk traumatisch zijn. Maar wat maakte dat ik bij hem bleef en hem zo’n beetje alles vergaf? Het patroon leek al eerder te zijn begonnen.

Hij was dan wel mijn eerste vriendje geweest, maar er was daarvoor nóg een man in mijn leven geweest, waar ik dol op was. Mijn vader. Ik was een echt papa’s-kindje. Ik wilde graag zoveel mogelijk bij hem zijn, als hij er was. Maar hij was er niet zo vaak, en als hij er was hield hij van zijn rust, reinheid en regelmaat. Hij was de kostwinner en als hij thuis was las hij de krant, keek hij graag naar sport en nieuwsprogramma’s op tv, was hij bezig met taken in en rond het huis, ging hij naar de kerk en was hij veel bezig met zijn duiven, die we op zolder hadden. Ik had een oudere zus waarmee ik speelde en mijn moeder was altijd thuis.

Soms deden mijn vader en ik een spelletje, gingen we naar de speeltuin of trok hij mijn zus en mij op schoot en las hij met gekke stemmetjes voor uit Jip & Janneke en Pinkeltje. Hij kwam me ook wel eens uit school ophalen, met een reepje chocolade. Regelmatig ging ik naar de zolder om hem mee te helpen met het voeren van de duiven of met het poetsen van de hokken. Als we ’s avonds voor de tv zaten dan ging ik bij hem zitten in het hoekje van de bank, onder zijn benen. Ik vond het heerlijk om onder mijn voeten gekieteld te worden; dat deed hij dan, soms wel een uur lang. Die momenten staan in mijn geheugen gegrift. Mijn moeder kwam me altijd ophalen, deed ook wel eens een spelletje met ons en las ons ook voor, maar dat kan ik me – tot haar grote ontzetting – niet meer herinneren. Dat was waarschijnlijk te gewoon.

Tja. Mijn vader was mijn held.

En ik weet dat hij van me hield en dat hij dat nog altijd doet. Maar hij is niet zo goed met het tonen van liefde, bijvoorbeeld met knuffels, kussen of met woorden, iets wat ik heel graag wilde. Hij liet zijn liefde zien op andere manieren, door me eens wat extra zakgeld te geven, spelletjes met me te spelen, boeken voor te lezen, onder mijn voeten te kriebelen, me een klopje op mijn hoofd te geven als ik met een mooi rapport thuis kwam of door Bossche bollen te halen, waar ik zo van hield. Maar hij trok me nooit tegen zich aan, zei nooit ‘ik hou van je’ of ‘ik vind je lief’ of iets dat daar op lijkt. Ik wist zo niet ZEKER dat hij van me hield, ik moest het afleiden uit bovenstaande dingen.

Maar dat was lastig, want hij deed ook geregeld dingen waardoor ik aan zijn liefde voor mij ging twijfelen. Hij was vaak chagrijnig en boos, misschien door stress van zijn werk en door de drukte van kleine kinderen (en hun vriendjes) om hem heen. Als ik om zijn aandacht vroeg leek hem dat meestal te irriteren. “Nu niet”, was meestal de boodschap. Hij dreigde ons te slaan met zijn slof als we ruzie maakten of niet luisterden. Eén keer hadden mijn zus en ik flinke ruzie, ik zal een jaar of zes zijn geweest, en had hij al een aantal keer gedreigd, maar we bleven doorgaan. Ik weet niet meer wat het was, maar door ons geruzie viel er iets op de grond in honderden stukjes. Hij sprong op met zijn slof in zijn hand en kwam op ons af. Ik rende zo snel ik kon naar de achterdeur en verstopte me achter het gordijn. Ik zie dat angstige moment achter het gordijn nog voor me. Ik hoorde hem dichterbij komen. Helaas was ik de dichtstbijzijnde van de twee dochters. Hij trok me achter het gordijn vandaan, naar het midden van de woonkamer en sloeg me hard op mijn billen. Die klap en mijn gevoel op dat moment kan ik me nog goed herinneren. Ik was doodsbang en in de war. Hoe kón hij me dat aandoen? Mijn zus sprong boos op hem af en begon hem gillend te slaan, om mij te verdedigen. Dat heeft mijn vader me verteld, ik weet het niet meer. Ik zat als verdoofd op de grond. Het lijkt een onschuldige corrigerende tik, niet heel dramatisch, maar zelfs nu ik dit zo opschrijf voel ik weer de adrenaline door mijn lijf gieren en bonkt mijn hart in mijn keel. Ik denk dat hij er zelf ook van geschrokken was, want hij heeft ons daarna nooit meer aangeraakt.

Mijn vader gaf gemengde signalen qua liefde. Hij kon erg lief zijn door veel voor me te doen, maar hij zei nooit dat hij van me hield en liet me vaak voelen dat hij mijn aanwezigheid maar irritant vond. Hij voelde de liefde waarschijnlijk ook niet zo sterk, dat heeft hij later zelf toegegeven. Waarschijnlijk een bron van schuldgevoel voor hem.

Maar goed, het is vrij duidelijk dat dáár mijn patroon om op ambivalente mannen te vallen dus is begonnen.

Nu hij ouder is, is hij veel milder geworden. Hij is rustiger en vrolijker, sinds hij niet meer werkt. Hij speelt urenlang met mijn kleine neefje, schijnbaar onvermoeibaar en zonder tegenzin, hoewel ik weet dat dat niet zo is. Hij zei eens eerlijk: “wat ik voor hem voel, heb ik nooit bij jullie gevoeld, gek he?”. Misschien omdat hij een jongetje is, en omdat hij zo op hem lijkt, maar misschien ook omdat mijn vader nu hij ouder is, meer een gevoelsmens is geworden. De tranen lopen hem regelmatig over zijn wangen bij emotionele tv-programma’s als ‘Hello, Goodbye’. Daar wijst hij dan trots naar. “Kijk!”. Het lijkt alsof hij gevoelsmatig nu pas is ontdooid en daar heel blij om is.

In een familie-opstelling die ik recent deed, moest ik ons twee opstellen. Ik was mezelf en iemand die ik niet kende stond voor mijn vader. De functie van zo’n opstelling is dat de ander zich als jouw vader gaat gedragen en zich ook als zodanig ‘opstelt’ in de opstelling. Heel merkwaardig en bijzonder hoe dat werkt, met een totale vreemde die niets van jouw vader afweet. Ik merkte dat ‘mijn vader’ zich geen raad wist. Hij stond daar maar en keek naar me, van een veilig afstandje. Hij leek niet te weten wat ik van hem wilde of hoe dat nou precies moest allemaal, dat liefde geven. Ik draaide een beetje om hem heen en bleef op hem wachten. Maar hij kwam niet. Pas toen ik naar hem uitreikte en hem mijn verdriet liet zien, durfde hij me ook zijn verdriet te laten zien en me vast te houden. Ik heb zo gehuild tijdens die opstelling. Het was heel mooi en tegelijkertijd heel verdrietig.

Ik heb hem daarna verteld dat ik het heb gemist om lichamelijk contact te hebben, dat dat bozige en dat dreigen zoveel impact op mij heeft gehad als kind en dat ik me geregeld afvroeg (en nog steeds afvraag) of hij wel echt van me hield/houdt en of hij wel eens aan mij denkt. Hij belt me namelijk nooit, dat doet mijn moeder altijd en langskomen in Amsterdam vindt hij eigenlijk ook maar gedoe.

Hij zei dat het hem spijt, dat hij nooit heeft beseft dat het voor mij zo voelde als kind. Natuurlijk houdt hij van mij, dat hebben zijn daden toch wel laten zien (ja, die dingen zie ik nu ook als een teken van zijn liefde). Hij denkt elke dag aan me en in de kerk bidt hij voor me dat ik gezond blijf. En, tja, hij hoort toch hoe het met me gaat via mam? Nu hij weet dat ik zijn initiatief waardeer, belt hij me soms zelf op. We praten niet heel lang, maar ik vind het altijd fijn om zijn stem te horen en elkaar even op de hoogte te brengen van onze gedoetjes. We knuffelen elkaar nu ook als ik binnenkom en wegga, of als ik ergens verdriet over heb en een paar dagen in Maastricht ben. Dan kijkt hij lief naar me, en slaat hij zijn armen om me heen en blijven we een tijdje zo staan. Dan kan ik wel janken van ontroering en blijdschap.

Mijn pappie, die me eindelijk kan laten voelen dat hij om me geeft.

Ergens voel ik dat dit alles veel heeft gedaan in mijn helingsproces: zien en uitspreken wat ik vroeger gemist heb. Dat hij daar nu gehoor aan geeft nu ik ouder ben, vind ik heel fijn, maar zelfs als dat niet had gekund (wat bij veel mensen natuurlijk zo is als hun ouder overleden is of als die mogelijkheid er om andere redenen niet is), denk ik dat deze bewustwording op zich al veel zou hebben geholpen.

Als kind was ik natuurlijk afhankelijk van hem en had ik zijn liefde nodig, maar nu, als volwassen vrouw, hoef ik dat patroon niet meer te herhalen. Ik hoef niemands liefde te ‘winnen’. Liefde is er gewoon. Of niet.